De Grote Vlaamse Klassiekers in de keuken (copy)

Muiterij op De Zeven Provinciën

DOOR:

Rob Hartmans

Angst voor een revolutie laait op

Op 4 februari 1933 brak er muiterij uit op De Zeven Provinciën. Daarmee was het spook van een socialistische revolutie, net als in november 1918, terug. De Nederlandse regering greep dan ook hardhandig in.

Het literair tijdschrift Links Richten, uitgegeven door een groep schrijvers met communistische sympathieën, kwam pagina’s tekort om uiting te geven aan de bewondering voor de klassenbewuste matrozen die zich meester hadden gemaakt van de kruiser De Zeven Provinciën. Maar de redactie was ook diep verontwaardigd over de bomaanval op het schip, waarbij in totaal 23 opvarenden om het leven kwamen. ‘Moord aan boord!/ hoort, proletaren:/ moord aan boord!/ Geen bloedbad kan onze krachten doen wijken./ Geen bruut geweld/ knot ons opstandswoord./ Geef slechts één antwoord: WEG MET FASCISME: /INDONESIËVRIJ!/ Kweekt den opstand aan boord!’

De dichter van bovenstaande regels – de werkloze typograaf Lou Tieman – had er geen enkele moeite mee om het optreden van de overheid fascistisch te noemen. Maar verreweg de meeste Nederlanders zagen dat toch anders. Terwijl extreem-links de muiterij verheerlijkte, veroordeelden alle niet-socialistische partijen en media deze gezagsondermijning, en bevonden de sociaal-democraten zich tussen hamer en aambeeld. Hoewel de muiterij in feite niet meer was dan een incident, blijkt uit de reacties dat ze oude wonden openreet waarvan sommigen hadden gehoopt dat die sinds 1918 waren geheeld.

Fel protest

Hoewel de muiterij op de kruiser De Zeven Provinciën – het zesde schip van die naam, waarvan het vlaggenschip van Michiel de Ruyter het beroemdst is geworden – in Nederland aankwam als een donderslag, kon niemand beweren dat de hemel hiervoor helder was geweest. Het was al een tijdje onrustig bij de marine, en zeker op de vloot in Nederlands-Indië.

Vanwege de economische crisis en het bezuinigingsbeleid van de Nederlandse regering waren de salarissen al tweemaal verlaagd met 5 procent. Toen eind 1932 een loonkorting van nog eens 7 procent werd aangekondigd, was bij veel opvarenden de maat vol. Na hevige protesten door verschillende marinebonden werd deze maatregel aanvankelijk uitgesteld. Maar met een lichte aanpassing ten gunste van ‘Europese’ schepelingen werd eind januari 1933 bekendgemaakt dat de salariskorting per 1 februari zou ingaan.

Op de vloot in Indië werd hiertegen fel geprotesteerd, en op 30 januari weigerden op de marinebasis van Soerabaja zo’n 400 Nederlandse matrozen bevelen op te volgen. Veertig man die bleven volharden in deze ‘dienstweigering’ werden gearresteerd. Een paar dagen later legden ook 450 ‘inlandse’ schepelingen het werk neer, van wie de overgrote meerderheid eveneens werd gearresteerd.

Officieren gegijzeld

Op dat moment was De Zeven Provinciën net vertrokken voor een tocht rond Sumatra. De reis was bedoeld als oefening én vlagvertoon. De laatste opstanden tegen het koloniaal gezag hadden ruim vier jaar geleden plaatsgevonden, maar de Nederlandse overheid wist dat zij niet op haar lauweren kon rusten. Het schip ging op 3 februari voor anker bij Koeta Radja (het huidig Banda Atjeh) toen de opvarenden het nieuws vernamen van de salariskorting en de onrust in Soerabaja. Op de avond van 4 februari maakte een groep bemanningsleden zich meester van wapens en munitie, en gijzelde de aanwezige officieren – de commandant en negen andere officieren bevonden zich op dat moment aan wal.

Hierop werden de ankers gelicht en koos het oorlogsschip zee. De volgende dag maakte de bemanning per telegram kenbaar wat het doel van de actie was: ‘De Zeven Provinciën tijdelijk in handen genomen door bemanning, alles gaat gewoon zijn gang, stoomen op naar Soerabaja, geen geweld in den zin, doch protest onrechtvaardige salariskorting en gevangenneming marinemannen Soerabaja, alles wel aan boord. Bemanning.’ Hieraan werd even later nog een postscriptum toegevoegd: ‘Absoluut geen communistische neiging.’

Hoe de muiterij precies in zijn werk is gegaan en welk aandeel Nederlandse en Indonesische schepelingen exact hadden, is nog altijd niet helemaal duidelijk, laat staan dat dit in februari 1933 bekend was. Vandaar dat er volop gespeculeerd werd. Zo zou er een communistische ‘cel’ aan boord zijn geweest, een onbewezen gerucht dat zelfs zijn weg heeft gevonden naar het eerste deel van Loe de Jongs geschiedschrijving van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Ook werd er getwijfeld aan de mogelijkheid dat Nederlandse matrozen betrokken zouden zijn bij zoiets onvaderlandslievends als muiterij op een schip met de beroemdste naam uit de maritieme geschiedenis. En de leider van de Anti-Revolutionaire Partij, Hendrik Colijn, kon niet geloven dat het ‘Indische personeel op zich zelf in staat is met dat schip te manoeuvreren’.

Toch wijst veel erop dat het initiatief is uitgegaan van een kleine groep Indonesische schepelingen, onder leiding van matroos eerste klas Paradja, waarna een aantal Nederlandse opvarenden zich hierbij aansloot. De indruk bestaat dat een deel van hen – onder wie korporaal-machinist Maud Boshart, die later werd afgeschilderd als leider van de muiters – dit vooral deed om geweld tegen de aanwezige officieren te verhinderen.

Colijn deed zijn racistische uitspraak in een interview met de liberale Haagse krant Het Vaderland van 6 februari. Hierin sprak hij tevens de veelvuldig geciteerde woorden: ‘De hoofdzaak is, dat er een klaar geval van muiterij is, dat die muiterij moet worden onderdrukt, zoo noodig, door het schip met een torpedo naar den bodem van den Oceaan te zenden.’  Wanneer er sprake was van opstand in een van de steunpilaren van het staatsgezag, niet alleen in de koloniën, maar ook in Nederland, was dat de opmaat naar revolutie, wat onmogelijk getolereerd kon worden.

Uiteraard dacht het communistische dagblad De Tribune daar anders over, want dat jubelde: ‘Voorbeeld van de Potemkim gevolgd.’ Hiermee verwees de krant naar de muiterij op het Russische slagschip Potemkin, wat een van de meest opvallende gebeurtenissen tijdens de mislukte revolutie van 1905-1906 was geweest. Sergej Eisenstein had er in 1925 een spectaculaire speelfilm over gemaakt. Ook het katholieke dagblad De Tijd en het sociaal-democratisch Het Volk refereerden aan die muiterij, waarbij de laatste krant kopte: ‘Het wanbeleid bij Marine leidt tot dramatische ontknoping.’

De sociaal-democraten bevonden zich in een bijzonder lastige positie. Aan de ene kant hadden ze grote kritiek op het bezuinigingsbeleid van de regering en het kolonialisme. De Indië-specialist van de SDAP, ir. Ch.G. Cramer, liet zich tijdens een bijeenkomst dan ook ontvallen dat de muiterij hem ‘verduiveld veel genoegen deed’. Aan de andere kant had de partij, zeker na Pieter Jelles Troelstra’s gekoketteer met de revolutie in november 1918, duidelijk gekozen voor de parlementaire democratie en elke vorm van gewelddadige actie afgezworen.

Terwijl Het Volk in zijn berichtgeving zich sterk op de sensatie richtte, waren de redactionele commentaren in deze krant zeer bedaard. Evenals SDAP-leider J.W. Albarda keurde hoofdredacteur J.F. Ankersmit de muiterij ten strengste af. Maar, zo vroegen veel ‘burgerlijke’ politici en kranten zich af, waren ‘die roden’ wel te vertrouwen?

‘Een misdrijf’

Het derde kabinet van de katholieke premier Charles Ruijs de Beerenbrouck – die als regeringsleider in 1918 geconfronteerd was met Troelstra’s halfslachtige revolutiepoging – reageerde krachtig. Minister van Defensie L.N. Deckers (Rooms-Katholieke Staatspartij) noemde op 7 februari de muiterij in de Tweede Kamer een ‘misdrijf’ dat onmogelijk getolereerd kon worden. Op 10 februari werd er een bloedig einde gemaakt aan de muiterij, toen een Dornier-vliegboot van de Marine Luchtvaartdienst een bom op het voorschip wierp, waarbij onmiddellijk 19 mannen om het leven kwamen, en vier zwaargewonden later overleden.

Vermoedelijk was dit een fout, aangezien de opdracht luidde een waarschuwingsbom voor de boeg te laten vallen. Maar de commandant van de D-11 beweerde later dat hij met opzet raak had gegooid. De bemanning gaf zich hierop over en de zogenoemde ‘hoofdmuiters’ (19 Indonesiërs en negen Nederlanders) zouden uiteindelijk worden gestraft. De hoogste straf bij de ‘inlanders’ was 18 jaar, bij de Nederlanders tien jaar. Alle veroordeelden zouden in 1937, ter gelegenheid van het huwelijk van prinses Juliana, worden vrijgelaten.

Zover was het echter nog lang niet, en de muiterij zou vooral in de Nederlandse politiek nog geruime tijd nadreunen. Minister Deckers had op 7 februari verklaard dat de regering ‘ingrijpende maatregelen’ zou nemen ‘tegen verderfelijke invloeden, die de geesten hebben rijp gemaakt tot aanranding van het gezag door landsdienaren, die vrijwillig den plicht op zich hebben genomen, dat gezag te dienen’. Deckers en geheel niet-socialistisch Nederland wezen onmiddellijk met de beschuldigende vinger naar de sociaal-democraten.

Dat de communisten van de stalinistische CPN en de antistalinistische Revolutionair-Socialistische Partij de muiterij bejubelden en dus heel goed in de gaten gehouden moesten worden sprak vanzelf. Maar ook tegen die ogenschijnlijk zo bedaarde en gematigde vergadertijgers van de SDAP en het aan haar gelieerde Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV) diende hard te worden opgetreden.

Niet alleen de verschillende vakbonden van marinepersoneel die onder sociaal-democratische invloed stonden werd het werken onmogelijk gemaakt. Ook werd er een flink aantal militairen ontslagen, al is niet helemaal duidelijk hoeveel mannen om politieke redenen de laan uit werden gestuurd. Verder was het militairen niet langer toegestaan uitgaven van De Arbeiderspers (die naast Het Volk ook andere bladen en boeken uitgaf) te lezen.

Hetze tegen de SDAP

Eind februari werd aangekondigd dat militairen geen lid meer mochten zijn van de SDAP, het NVV en de VARA. Dit gold ook voor het burgerpersoneel bij defensie, al mocht dat nog wel lid zijn van de sociaal-democratische omroep. Deze maatregel werd enkele maanden later geïncorporeerd in het zogenoemde ambtenarenverbod, dat inhield dat personeel in dienst van de overheid geen lid mocht zijn van groeperingen die de omverwerping van het Nederlandse staatsbestel tot doel hadden. Naast communistische en sociaal-democratische organisaties stonden nu ook tal van fascistische groeperingen op de lijst, al zorgde premier Colijn – die eind mei Ruijs de Beerenbrouck was opgevolgd – er persoonlijk voor dat de NSB er niet op kwam. Deze zou pas eind dat jaar voor ambtenaren verboden worden.

Hoewel regelmatig wordt beweerd dat dit ambtenarenverbod bedoeld was om de NSB in te dammen, werd de directe aanleiding gevormd door de muiterij op De Zeven Provinciën en maakte het deel uit van een regelrechte hetze tegen de SDAP. Ook al had deze partij zich iets nadrukkelijker van de muiterij kunnen distantiëren, en bepleitten verschillende prominente sociaal-democraten dit met klem, er viel aan haar democratische gezindheid absoluut niet te twijfelen. Maar het trauma van ‘november 1918’ was nog vrij vers en het liberale Algemeen Handelsblad typeerde de SDAP steevast als ‘Janus de Vleermuis’, die van twee walletjes at en tegelijk revolutionair én democraat wilde zijn. Reeds voor de muiterij op De Zeven Provinciën was ‘gezagshandhaving’ een belangrijk thema van alle niet-socialistische partijen – van christelijk tot liberaal tot (pre)fascistisch.

Juist doordat de SDAP de tweede partij van het land was (na de RKSP) en het NVV met afstand de grootste vakcentrale, werd de sociaal-democratie als de grootste bedreiging van het politieke en maatschappelijk bestel gezien. Twijfel zaaien aan de loyaliteit van ‘die rooien’ kon dus politiek uiterst lucratief zijn. Het zal dus niet verbazen dat de SDAP in de jaren hierna haar uiterste best deed om de laatste resten van haar revolutionaire verleden overboord te gooien, wat in 1939 eindelijk werd beloond met regeringsdeelname.